NL
De biografie en geschiedenis
Het leven van de profeet
34 hadiths
زوجاته صلى الله عليه وسلم وأحوال بيت النبوة
4
مبعثه صلى الله عليه وسلم
1
الهجرة
1
Zijn expedities en militaire campagnes (vrede zij met hem)
4
مكاتباته ومراسلاته صلى الله عليه وسلم
1
De eigenschappen van Mohammed
24
34 hadiths
Van Aisha, de Moeder der gelovigen (moge Allah tevreden zijn met haar) zei: De profeet (vrede zij met hem) hield van het gebruik van de rechterkant bij het aantrekken van zijn sandalen, bij het betreden en verlaten van plaatsen, bij zijn rituele reinheid en in al zijn zaken."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
عن عبد الله بن عمر رضي الله عنهما «أنَّ رسُول الله -صلَّى الله عليه وسلَّم- دَخَل مكَّة مِن كَدَاٍء، مِن الثَنِيَّة العُليَا التِّي بالبَطحَاءِ، وخرج من الثَنِيَّة السُفلَى».
متفق عليه
Aisha, de moeder der gelovigen, moge Allah tevreden zijn met haar, heeft gezegd: Ik heb de Profeet (vrede zij met hem) nooit volledig zien lachen zodat ik zijn huig kon zien. Hij glimlachte slechts.
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Hoedhayfah (moge Allah tevreden zijn met hem) heeft overgeleverd: Wanneer de profeet (vrede zij met hem) 's nachts opstond, poetste hij zijn tanden met een siwak.
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Van Zainab bint Djahsh (moge Allah tevreden zijn met haar ), dat de profeet (vrede zij met hem) bij haar binnenkwam terwijl hij verontrust was, zeggend: "Er is geen god dan Allah! Wee de Arabieren vanwege een naderend kwaad. Vandaag zijn de barrières van Ya'juj en Ma'juj geopend zoals deze." Hij haakte met zijn duim en die daarna kwam. Zainab bint Djahsh zei: "O boodschapper van Allah, zullen wij worden vernietigd terwijl er onder ons rechtvaardigen zijn?" Hij zei: "Ja, als het kwaad overvloedig wordt."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Overgeleverd door Aboe Sa'id al-Khoedri (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: De profeet (vrede zij met hem) had meer schaamte dan een maagd in haar kamer. Wanneer hij iets zag wat hij afkeurde, was dit duidelijk te merken aan zijn gezicht.
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
عن عائشة رضي الله عنها قالت: كَانَ كَلاَمُ رَسُولِ الله -صلَّى الله عليه وسلَّم- كَلاَمًا فَصلاً يَفْهَمُهُ كُلُّ مَنْ يَسْمَعُهُ.
رواه أبو داود واللفظ له، والتُرمذي والنسائي وأحمد
Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden zijn met hem) heeft overgeleverd dat de profeet (vrede zij met hem) zei: "Als ik het de gelovigen - of mijn gemeenschap - niet te moeilijk zou maken, zou ik hen bevelen een siwak te gebruiken voor elke gebed".
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Van Mahmoed ibn Labid (moge Allah tevreden zijn met hem ) rapporteerde dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "Voorwaar, hetgeen ik het meest voor jullie vrees, is de kleine vorm van shirk (associatie met Allah)." Ze vroegen: "Wat is de kleine vorm van shirk, O Boodschapper van Allah?" Hij antwoordde: "Het is riya'e (het doen van goede daden om indruk te maken op anderen). Op de Dag des Oordeels zal Allah, de Verhevene, tegen hen zeggen wanneer de mensen worden beloond voor hun daden: 'Ga naar degenen tot wie jullie plachten te pronken in de wereld, en kijk of jullie enige beloning bij hen kunnen vinden?".
Overgeleverd door Ahmed
Aboe Bakr, moge Allah tevreden over hem zijn, zei: "Ik keek naar de voeten van de ongelovigen, boven onze hoofden, terwijl wij ons in de grot schuilhielden. Toen zei ik: ‘O Boodschapper van Allah, als een van hen maar naar zijn voeten zou kijken, zou hij ons zeker onder zijn voeten ontdekken.’ Daarop zei de Profeet (vrede zij met hem): ‘O Aboe Bakr, wat denk jij van twee mensen, van wie Allah de derde is?''
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
عن أنس بن مالك رضي الله عنه أَنَّ النَبيَّ -صلَّى الله عليه وسلَّم- كَان إِذَا تَكَلَّمَ بِكَلِمَةٍ أَعَادَهَا ثَلاَثًا حَتَّى تُفْهَمَ عَنْهُ، وَإِذَا أَتَى عَلَى قَوْمٍ فَسَلَّمَ عَلَيهِم سَلَّمَ عَلَيهِم ثَلاَثًا.
رواه البخاري
عن أبي هريرة رضي الله عنه : أن رجلًا أتى النبي صلى الله عليه وسلم يَتَقَاضَاهُ فَأغْلَظَ له، فَهَمَّ به أصحابه، فقال رسول الله صلى الله عليه وسلم : «دَعُوه، فإن لِصَاحب الحَقِّ مَقَالا» ثم قال: «أعْطُوهُ سِنًّا مِثْل سِنِّهِ» قالوا: يا رسول الله، لا نَجِدُ إلا أمْثَلَ مِنْ سِنِّهِ، قال: «أعْطُوه، فإن خَيْرَكم أحْسَنُكُم قَضَاء».
متفق عليه
عن عائشة رضي الله عنها قالت: قَدِمَ نَاسٌ مِنَ الأَعْرَابِ عَلَى رَسُولِ اللهِ صلى الله عليه وسلم فقالوا: أَتُقَبِّلُونَ صِبْيَانَكُمْ؟ فقال: «نعم» قالوا: لَكِنَّا واللهِ ما نُقَبِّلُ! فقال رسولُ اللهِ صلى الله عليه وسلم : «أَوَ أَمْلِكُ إن كانَ اللهُ نَزَعَ مِنْ قُلُوبِكُم الرَّحْمَةَ!».
متفق عليه
عن عائشة رضي الله عنها قالت: كان رسولُ اللهِ صلى الله عليه وسلم إذا فَاتَتْهُ الصَّلَاةُ مِنَ الليلِ مِن وَجَعٍ أَوْ غَيْرِهِ، صَلَّى من النَّهَارِ ثِنْتَيْ عَشْرَةَ رَكْعَةً.
رواه مسلم
عن أنس رضي الله عنه قَالَ: كُنْتُ أمشي مَعَ رسول الله صلى الله عليه وسلم وَعَلَيْهِ بُرْد نَجْرَانيٌّ غَلِيظُ الحَاشِيَةِ، فأدْرَكَهُ أعْرَابِي فَجَبذَهُ بِرِدَائِهِ جَبْذَة شَديدة، فَنَظَرْتُ إِلَى صَفْحَةِ عَاتِقِ النَّبيِّ صلى الله عليه وسلم وَقَدْ أثَّرَتْ بِهَا حَاشِيَة الرِّدَاءِ مِنْ شِدَّةِ جَبْذَتِه، ثُمَّ قَالَ: يَا مُحَمَّدُ، مُر لِي مِنْ مَالِ اللهِ الَّذِي عِنْدَكَ. فَالتَفَتَ إِلَيْهِ، فَضَحِكَ ثُمَّ أَمَرَ لَهُ بِعَطَاءٍ.
متفق عليه
عن أبي سعيد الخدري رضي الله عنه مرفوعاً: أنَّ ناسًا من الأنصارِ سألوا رسولَ الله - صلى الله عليه وسلم - فأعطاهم، ثم سألوه فأعطاهم، حتى نَفِدَ ما عنده، فقال لهم حين أنفقَ كلَّ شيءٍ بيده: «ما يَكُنْ عندي من خيرٍ فلن أَدَّخِرَهُ عَنْكُم، ومَنْ يَسْتَعْفِفْ يُعِفِّهُ اللهُ، ومَنْ يَسْتَغْنِ يُغْنِهِ اللهُ، ومَنْ يَتَصَبَّرْ يُصَبِّرْهُ اللهُ. وما أُعْطِيَ أَحَدٌ عطاءً خَيرًا وأَوسع من الصبرِ».
متفق عليه
Annas (moge Allah tevreden zijn met hem ) zei: "Een aantal metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem) vroegen zijn echtgenotes naar zijn daden in het verborgene. Sommigen van hen zeiden daarop: 'Ik zal niet trouwen met vrouwen,' anderen zeiden: 'Ik zal geen vlees eten,' en weer anderen zeiden: 'Ik zal niet op een bed slapen.' Daarop loofde de Profeet, Allah en prees Hem en sprak: 'Wat is er met sommige mensen die zulke dingen zeggen? Ik bid en ik slaap, ik vast en ik verbreek het vasten en ik trouw met vrouwen. Wie afwijkt van mijn Soennah, behoort niet tot mij.'"
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Ibn Abbas (moge Allah tevreden zijn met hen ) rapporteerde: De profeet (vrede zij met hem) was de meest gulle der mensen, en hij was het meest gulle tijdens de maand Ramadan, wanneer Djibriel (vrede zij met hem) hem kwam bezoeken. Djibriel kwam hem elke nacht in de Ramadan bezoeken om de Koran met hem te reciteren.
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Anas Ibn Maalik (moge Allah over hem tevreden zijn) heeft gezegd: De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) was de meest voortreffelijke persoon in karakter.
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Overgeleverd van al-Aswad ibn Yazid — moge Allah tevreden met hem zijn —: Ik vroeg aan Aïsha wat de Profeet (vrede zij met hem) gewoonlijk deed in zijn huis. Zij antwoordde: "Hij verrichtte het werk en de taken van zijn gezinsleden, hiermee bedoelde zij het bedienen en helpen van zijn huisgenoten en zodra het tijd werd voor het gebed, begaf hij zich naar het gebed."
Overgeleverd door Al-Boekhari
عن أنس رضي الله عنه ، قَالَ: مَا مَسِسْتُ دِيبَاجاً وَلاَ حَرِيراً ألْيَنَ مِنْ كَفِّ رسولِ اللهِ صلى الله عليه وسلم ، وَلاَ شَمَمْتُ رَائِحَةً قَطُّ أطْيَبَ مِنْ رَائِحَةِ رسولِ اللهِ صلى الله عليه وسلم ، وَلَقَدْ خدمتُ رسول اللهِ صلى الله عليه وسلم عَشْرَ سنين، فما قَالَ لي قَطُّ: أُفٍّ، وَلاَ قَالَ لِشَيءٍ فَعَلْتُهُ: لِمَ فَعَلْتَه؟، وَلاَ لشَيءٍ لَمْ أفعله: ألاَ فَعَلْتَ كَذا؟.
متفق عليه. تنبيه: أخرجه البخاري ومسلم في حديثسن متفرقين في موضعين
Aisha, de moeder der gelovigen, moge Allah tevreden zijn met haar, heeft gezegd: "De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) moest nooit tussen twee zaken kiezen, of Hij nam de gemakkelijkste van de twee, tenzij deze zou leiden tot zonde; in dat geval was Hij de meest afstandelijke van de mensen ten opzichte van die zonde. En Hij heeft nooit wraak genomen voor zichzelf, behalve wanneer de rechten van Allah geschonden werden, dan neemt Hij wraak voor Allah."
Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
عن عائشة رضي الله عنها قالت: لمَّا رجعَ النبيُّ صلى الله عليه وسلم من الخَنْدَق، ووَضَعَ السِّلاحَ واغتسل، أتاه جِبْريلُ -عليه السلام-، فقال: «قد وضعتَ السِّلاحَ؟ واللهِ ما وضَعْناه، فاخرُج إليهم قال: فإلى أيْنَ؟ قال: ها هُنا، وأشار إلى بَنِي قُرَيْظَةَ، فخرج النبيُّ صلى الله عليه وسلم إليهم».
متفق عليه
عن أنس رضي الله عنه قال: «كأنِّي أنظر إلى الغُبار ساطِعًا في زُقَاق بني غَنْم، مَوْكبَ جبريلَ -صلوات الله عليه- حين سار رسولُ الله صلى الله عليه وسلم إلى بني قُرَيْظَة».
رواه البخاري
Page 1 of 2
Next page